Mierensoorten in Nederland

De meest voorkomende mierensoorten in gebouwen zijn de zwarte wegmier (Lasius niger), de tapijmier (Monomorium pharaonis) en de gele weidemier. Buiten zijn ook de roodborstige mier en de faraomier relevant. Elk heeft andere nestplaatsen en vereist een andere aanpak.

De zwarte wegmier

Meest voorkomend in tuinen en rondom gebouwen. Zwart, 2–4 mm. Nestelt in de grond, onder tegels en langs funderingen. Komt binnen op zoek naar suiker en vettige voedselresten. Niet gevaarlijk maar kan in grote aantallen een woning binnendringen.

De faraomier

Klein (1,5–2 mm), geelachtig. Een tropische soort die alleen in verwarmde gebouwen overleeft. Bijzonder moeilijk te bestrijden — de kolonie heeft meerdere koninginnen en kan splitsen bij verstoring. Veelvoorkomend in ziekenhuizen, hotels en appartementencomplexen. Hygiënisch risico in medische omgevingen.

De tapijmier

Donkerbruin, 2–4 mm. Nestelt in muren, vloeren en soms in elektrische apparaten. Kan schade aanrichten aan textiel en voedsel.

Wanneer is een miereninfestatie een probleem?

Mieren buiten zijn ecologisch nuttig. Een probleem ontstaat wanneer mieren een gebouw binnendringen in grote aantallen, nestelen in de constructie, of — bij de faraomier — een medisch hygiënisch risico vormen. Afdeling Dierplagen identificeert de soort en kiest de juiste aanpak. Neem contact op voor een inspectie.